Home
Home Over ons Workshops Links Reviews GPS info Gastenboek Contact Zoeken
  Reichswald Kleef

Volg GPSwalking op Twitter



Korte beschrijving

Het zou saai zijn, langdradig en rechtlijnig. Maar het werd flink doorstappen. Kilometers maken over goede wegen. Geen modder geen plassen. Ja, wel op en af, maar niet eens heftig, sluipend soms. Geen bijzondere  vergezichten, zelfs niet op den Freudenberg, alleen de picknick op de Brandenberg.  De Himmelsleiter is een bijzonder natuurmonument. Naar het zuiden toe werden we belemmerd doordat de jacht open was. Daardoor konden we niet bij de hoge Brandtoren komen. Helemaal aan de andere kant van het uitgestrekte woud werden we volkomen verrast door een everzwijn. Het everzwijn – groot hoor – kwam met een noodgang voorbij en wist ons volledig te verrassen.  Misschien was ie toch wel geschrokken van het geknal aan de andere kant….

En de reiger toonde zich in de lucht als een ware adelaar. Het doet ons allemaal denken aan het oerbos, dat hier ooit gestaan heeft. We vragen ons af of dat nog ooit terugkomt? Hier stellen we het bos centraal. Er liggen nog restanten van schuttersputjes en loopgraven. Hier is flink gevochten tegen het einde van de tweede wereldoorlog. Maar het meest bijzondere is de grote variatie bomen. Nooit eerder hebben we zulke hoge wilgen gezien; blij dat Leonoor geen katjes wilde plukken.

In elk seizoen een prachtig stil gebied.

 

 


Routebeschrijving

Een GPS wandeling door het Reichswald bij Kleef.
Lengte: 12 km, in te korten tot 9 km.
De paden zijn goed begaanbaar. Het is wel heuvelachtig, tussen de 25 en 90 meter.
De hele route is zeer geschikt voor scootmobiel.
Er is geen horeca onderweg en slechts weinig bankjes.
Van de wandeling is een track en een Route aangemaakt.
De beschrijving richt zich vooral op het historische ontwikkelingen rondom het Oerbos en niet op de POI´s.

 

  De kenmerken
  startpunt Zundert, Parkeerplaats Heirseweg
  positie Gelderland, Nederland. Co√∂rdinaten: N51.757242 E6.020402
  afstanden 12.0 km, 9 km,
  type Bos/Cultuur/Hei/Open landschap
  begaanbaarheid Doorgaans goed begaanbaar
  scootmobiel Ja
  honden Aangelijnd
  horeca Halverwege
  Datum wandeling 01-02-2011

  Langere beschrijving
 

START
We starten op een parkeerplaats in het bos tussen de grens bij Gennip naar Kranenburg aan de B804. We willen eerst naar de Brandtoren en dan de hele ronde maken van 16 km. Helaas is een deel van het woud afgesloten vanwege de jacht.

Dus steken we de weg over en weldra zitten we in de rust van het woud. Na twee kilometer passeren we een grafheuvel en bij de brandkuil staat een oude stukje spoorlijn van de houtwinning.

We gaan echter in op de oorsprong van het woud en of dat weer terug kan komen?

Reichswald
Het Reichswald of Rijkswoud is een bosgebied tussen Kleef en Goch in Noord-Rijnland-Westfalen langs de Nederlandse grens.

Het heeft een totale oppervlakte van circa 5100 ha en is hiermee het grootste samenhangende natuurgebied in de regio Nederrijn. Het bestaat bijna geheel uit bos en er leven diverse soorten zoogdieren. Het bos is doorsneden met kaarsrecht, parallel lopende paden, die een rasterstructuur vormen.

Het Reichswald is het Duitse deel van wat vroeger het Ketelwald (Ketilawald) was. Het hart van het Reichswald bestaat uit het 580 ha grote Natuurgebied Geldenberg met daarin twee natuurreservaten van samen 49 ha.

Ketelwald
Ketelwald is de middeleeuwse benaming van het vroegere aaneengesloten oerbos tussen Nijmegen en Xanten. Aan het eind van de Middeleeuwen waren er van dit enorme bos nog maar restanten over. Het grootste daarvan is het Duitse Reichswald dat op grond van zijn ecologische mogelijkheden en ligging het bruggenhoofd naar de Nederlandse kant vormt.

Het strategisch gelegen bos dat eeuwenlang afwisselend in bezit was van de Heren van Gelre en Kleef viel in 1543 definitief uiteen, toen het hertogdom Gelre haar zelfstandigheid verloor. Het deel rond Nijmegen/Groesbeek werd Bourgondisch rijksbezit en werd voortaan aangeduid als Neder(rijks)wald. Het Reichswald of Ober(reichs)wald was achtereenvolgens bezit van de hertog van Kleef, de keurvorsten van Brandenburg, de koning van Pruisen en daarna van Pruisen en Noordrijn-Westfalen.

De naam Reichswald is tot op de dag van vandaag blijven bestaan. Anders ging het aan de Nederlandse kant. De benaming Nederrijkswald is verloren gegaan, omdat het bos in de 19e eeuw werd opgesplitst en in delen verkocht.

Oerbos
Gedurende het laatste geologische tijdvak, het Kwartair, het tijdperk met verschillende ijstijden, kende de bosontwikkeling een sterke dynamiek. Door de geregelde afwisseling van koude en relatief warme tijden (glacialen en interglacialen), verschoven de vegetatiegordels in Noordelijke of in Zuidelijke richting, zoals uit palynologische gegevens blijkt.

In België en Nederland stierf aan het eind van een interglaciaal door de daling van de temperatuur en de grondwaterspiegel het bos af. Ervoor in de plaats kwam een parklandschap dat vervolgens via een toendra kon overgaan in een poolwoestijn.

Middeleeuwen
Het Ketelwald, zoals het in de middeleeuwen werd genoemd, strekte zich met zijn grote eiken- en beukenbossen aan de linkeroever van de Rijn uit van Nijmegen tot Xanten. Hier verzamelden zich in 69 na Chr. de Batavieren voor hun opstand tegen de Romeinen.

Het bos behoorde later tot de palts van Nijmegen waar Karel de Grote (800 n. Chr.) en zijn opvolgers regelmatig verbleven. Keizer Otto III (980-1002) werd zelfs in het Ketelwald geboren.

In 1339 kwam voor het eerst de naam Reichswald voor. In 1418 verkreeg de Hertog van Kleef de zeggenschap over het (huidige) Duitse deel van het bos waarna het Duitse Reichswald en het Nederlandse Nederrijkswald hun eigen geschiedenis doormaakten.

 

De bosgeschiedenis
Sleutel tot begrip van het heden. We kunnen het heden niet begrijpen als we de geschiedenis niet kennen. Ook het landschap heeft een geschiedenis. Zo zijn bijvoorbeeld hoedebossen te herleiden naar de middeleeuwse gebruik van boeren om hun vee in het bos te weiden.

Ook heidevelden zijn niet vanzelf ontstaan, maar door sterke overbegrazing en houtkap in het verleden. Ze zijn een onderdeel van de cultuurgeschiedenis van het bos en dienen als natuurlijke monumenten in stand te worden gehouden.

De paars bloeiende heide biedt niet alleen afwisseling in het opgaande bos, maar is ook het leefgebied van veel zeldzaam geworden planten en dieren.

Voorbij de brandkuil staan enorme wilgen. Ze maken deel uit van het bos dat uit dennen, sparren, eiken, beuk, wilgen en els bestaat.

Een grote variatie die het bos kleuren door elk seizoen heen.

 

Na de Tweede Wereldoorlog
Maar ook oorlogsgeweld vernietigt bossen. Aan de Duitse kant begonnen de Pruisen halverwege de 17de eeuw met dennenaanplant in de gedegenereerde bossen en heidevelden.

Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog – we zien nog vele schuttersputjes en loopgraven - volgde grootschalige aanplant met grove dennen, lorken en sparren, maar ook met beuken en eiken.

Tegenwoordig heeft het Duitse deel van het Ketelwald weer een loofhoutaandeel van ruim 40%. In 1970 werden enkele natuurboskernen aangewezen en aansluitend in het jaar 2000 een 600 hectare groot natuurgebied Geldenberg.

Landijs
Geologie van het Ketelwald.
Een uitgebreide beschrijving vindt u in de Toekomstvisie Ketelwald . Het landschap waarin het Ketelwald ligt vindt zijn oorsprong in het Saalien.

Vanuit Scandinavië bereikte het honderden meters dikke landijs via het IJsseldal dit gebied en splitste in enkele tonggletsjers. Eén ervan drong door tot Groesbeek en stuwde een hoefijzervormige wal op van zand, grind en klei. De stuwwal dwong de Rijn zuidelijker te stromen in het dal waar tegenwoordige de Niers doorheen loopt.

Toen de koudeperiode ten einde liep en het ijs begon te smelten brak het smeltwater op diverse plaatsen door de stuwwal heen en vormde diepe smeltwaterdalen. Daar achter werd een enorme hoeveelheid zand en grind afkomstig uit de stuwwal afgezet in de vorm van puinwaaiers of sandurs. Aan de binnenkant van de stuwwal gleed met water verzadigde bodemlaag de helling af het bekken in (solifluctie).

Stuwwal
In het interglaciaal Eemien werd het warm. Het gebied raakte bebost met op de natste, lage plekken veen. 110.000 jaar geleden werd het weer kouder en de laatste ‘ijstijd ’het Weichselien begon. Het ijs bereikte ons gebied niet, maar er heerste hier wel een toendraklimaat.

De wind werd een belangrijke bodemvormer. Zand van de stuwwalranden kwam in zandruggen neer. Grote hoeveelheden lössdeeltjes uit de drooggevallen Noordzee werden aan de lijzijde van de stuwwal afgezet, in het bekken en in grote delen van het Reichswald. In de stuwwal werden nieuwe dalen gevormd. Ze werden uitgeschuurd door water dat over de bevroren ondergrond alleen oppervlakkig kon afstromen. Ze worden nu ‘droogdalen’ genoemd.

Oerbos met linde, haagbeuk en es
>10.000 v C: IJstijd voorbij; toendraplanten en –dieren verdwijnen.
Ontwikkeling van vegetatie van gematigd klimaat
10.000–8.000 v C: Berk, den, hazelnoot overheersend.
8.000 v C: Uitbreiding van eik, iep, linde en els
5.000 v C: Beuk neemt sterk toe op lössgronden; elzen, eiken en iepen op lager gelegen gronden
4.000 v C: Invloed van de mens merkbaar. Primitieve akkerbouw en veehouderij op lösshellingen. Bossen op de stuwwal: beuk met toenemend aantal zomer- en wintereik; in de beekdalen: wilg en els.
1.000 v C: Linde verdwijnt uit de bossen
800 – 15 v C: Ontbossing ten behoeve van akkerbouw en brandhout neemt sterk toe.

Aan de noordkant liggen enkele hoge heuvels. Ze bieden weinig uitzicht. We lopen heel dicht langs de Duits-Nederlands grensweg. En we zien onderweg geregeld gegraven schuttersputjes en loopgraven, restanten uit de Tweede Wereldoorlog.

Op de tweede berg, de Brandenberg, staat een bankje met uitzicht (niet het schuine bankje nemen, maar iets verder, op de top)

Aanval op Oerbos
Zo ontstond het Oerbos, het Heilig woud der Batavieren. De mens komt en gaat roofbouw plegen. Steeds meer wordt een aanslag gepleegd op dat Oerbos.

Toen de Romeinen zich in de eerste eeuw voor Chr. in het grensgebied langs de Rijn vestigden, lag tussen Nijmegen, Xanten en Goch een groot en dicht woud, waarin eiken en beuken de meest voorkomende boomsoorten waren. De Romeinen hebben hier tijdens hun verblijf, dat tot in de vijfde eeuw na Chr. duurde, veel sporen nagelaten. Zij hebben een groot deel van het bos gekapt voor bouwmateriaal en brandstofvoorziening van hun woningen, legergebouwen en baden.

Heel veel hout is gebruikt voor het stoken van de grote pannen- en pottenbakkerijen die in Berg en Dal bij de Holdeurn en op Heilig Landstichting stonden. Een ander opzienbarend teken van de Romeinse cultuur in deze streek is het aquaduct dat water aanvoerde van de bronnen bij Berg en Dal naar hun legerplaatsen.

Verder zijn er veel Romeinse bodemvondsten gedaan die erop wijzen dat zij in het bosgebied jaagden, er ontginningen aanlegden en er heiligdommen voor hun goden oprichtten.

Vaak wordt beweerd dat de Romeinen de tamme kastanje in deze streken hebben geïntroduceerd vanuit Zuid-Europa. In aardewerkvondsten zijn echter tot nu toe weinig sporen aangetroffen die erop wijzen dat zij de kastanje in hun voedingspakket hadden.

Na de Romeinen
Na de Romeinse tijd kon het bos zich geleidelijk herstellen. De Duitse vorsten kwamen hier vaak jagen als zij op hun palts (versterkt buitenverblijf met kerk en enkele hoeven) in Nijmegen verbleven.

Vooral Lodewijk de Vrome maakte gebruik van deze locatie. Maar het gebied bleef op de kleine stedelijke centra na vrijwel onbewoond; uit de periode tot omstreeks de elfde eeuw zijn nauwelijks bodemvondsten gedaan.

In enkele middeleeuwse oorkonden wordt het uitgestrekte bosgebied wel aangeduid met Ketila of Kelkt, het woud dat zich uitgestrekte tussen Nijmegen, Xanten en Goch.

Die naam kan te maken hebben met de betekenis van ‘ketel’ als vruchtbare laagte, maar ook met de Keltische term ketila (wat ‘vee’ of ‘runderen’ betekent, vergelijk het Engelse cattle). Deze laatste betekenis zou niet onlogisch zijn omdat de meeste bossen in de middeleeuwen (maar ook in de tijd daarna) als weidebossen of hoedebossen dienden.

Het Ketelwald in de Middeleeuwen
In de twaalfde en dertiende eeuw komen overal in Noordwest-Europa kleine machthebbers op die hun territorium steeds verder probeerden uit te breiden. De graven van Gelre verplaatsen hun kerngebied vanuit Geldern en omgeving geleidelijk noordwaarts naar de regio Arnhem-Nijmegen, terwijl aan de zuidzijde het graafschap Kleef zich uitbreidde, vooral door gronduitgiften en ontginningen aan lokale heren en kloosters.

In de periode van de dertiende tot de zestiende eeuw heeft het Ketelwoud of Rijkswoud een turbulente geschiedenis doorgemaakt. De beide concurrerende graven maakten aanspraken op het bosgebied. Zij hadden voortdurend geldgebrek door hun rijke leven dat zij leidden en de vele oorlogen die zij voerden. Door het bos of een deel ervan aan elkaar te verpanden konden zij geld lenen. Over die leningen en terugbetalingen ontstonden vaak weer ruzies.

Tenslotte kwam het in de vijftiende eeuw tot een definitieve splitsing van het grote bosgebied. Het (grootste) deel dat ongeveer ten zuiden van de huidige Gelders-Duitse grens ligt, werd het Ober-rijkswald of Overwald genoemd, het stuk ten zuiden en zuidoosten van Nijmegen werd het Nederrijkswald of Nederwald.

Hout voor alles
Het is begrijpelijk dat het bos als pandgoed een slechte verzorging kreeg; het werd vaak geplunderd om er in korte tijd zoveel mogelijk hout uit te halen. Hierbij moeten we bedenken dat hout vóór de komst van olie en steenkool een essentiële grondstof en energiebron was.

Turf was schaars en duur. Vrijwel alle woningen werden van hout gebouwd en voor vestingwerken, voertuigen en schepen waren eveneens grote hoeveelheden hout nodig. Waarschijnlijk was er in de Middeleeuwen althans in het Nederrijkswald nog geen systematische eikenhakhoutteelt waarbij de stammen om de acht tot tien jaar van de stobben werden gekapt, maar velde men het bos vrijwel geheel als het weer een aantal jaren was opgegroeid.

Toen graaf Reinald II het Nederrijkswald in 1331 na een verpanding terugkreeg van zijn Kleefse buurman was het zo geruïneerd dat hij de order uitvaardigde dat er helemaal niet meer gekapt of ontgonnen mocht worden. Toch hadden de graven en hertogen een beheersorganisatie tot hun beschikking die in theorie een doeltreffend beheer mogelijk maakte: aan het hoofd stond een waldgraaf als vertegenwoordiger van de landsheer, daaronder waren enkele waldforsters werkzaam die het dagelijkse toezicht hielden en bij overtredingen de daders mochten bekeuren.

Maar terwijl de traditionele weide- en sprokkelrechten van de boeren in en bij het bos door de toezichthouders vanwege mogelijke schade werden betwist, waren de heren uit Arnhem en Kleef vooral belust op maximale korte-termijn inkomsten uit hun bezit.

Bosbeheer
In de zestiende eeuw werden de Staten van Gelderland eigenaar van alle hertogelijke domeinen. De Gelderse Rekenkamer (ingesteld door Karel V in 1559) kreeg het beheer over de domeinen, waaronder het Nederrijkswald. Het Oberreichswald bleef onder de hertog van Kleef, maar het bosbeheer werd daar wel steeds meer gecentraliseerd in Brandenburg. In dat kader kondigde keurvorst Friedrich Wilhelm in 1649 de eerste Jagd- und Forstordnung für das Herzogtum Kleve af.

Ondanks het feit dat het Duitse gedeelte in de Middeleeuwen sterk in oppervlakte gereduceerd was door de vele ontginningen aan de zuid- en oostzijde, werd in het overblijvende woud van circa 5000 hectare een beter beheer gevoerd dan het Gelderse Nederrijkswald. Nieuwe aanplanten in het Nederrijkswald mislukten vaak doordat de toenmalige kennis van bosbouw en grondbewerking nog heel beperkt was, ondanks de Waldordonantie uit 1655. Het bos degenereerde tot heide.

Houtproductie
Verbeteringen in de achttiende eeuw
Vanaf omstreeks 1720 ging men effectiever te werk in het bosbeheer. De heren van de Rekenkamer uit Arnhem kwamen het bos jaarlijks visiteren om de problemen met eigen ogen te zien en adviezen te geven om de toestand te verbeteren. Zij waren zeker niet ondeskundig.

Vaak kenden zij ook de Duitse methoden van bosbeheer en bosbouw uit de eerste handboeken die in de tweede helft van de achttiende eeuw over dit onderwerp in Duitsland verschenen.

Als onderdeel van de verbeteringen in de bosbouw werd rond 1730, wellicht op voorbeeld van het Kleefse beheer, een groot deel het Nederrijkswald herverkaveld in rechte stukken zodat men het onderhoud, toezicht, kappen en de houtafvoer beter kon regelen.

Wat het houtbestand betreft bleef tot omstreeks 1780 de exploitatie van het grootste deel van het Nederrijkswald echter gericht op eikenhakhout. Daarbij ging het vooral om de productie van eikenschors voor de leerlooierijen, ten tweede voor brand- en timmerhout. Opgaand bos vinden we in die tijd vooral in de oostelijke helft, waar de lösshoudende bodem ook vruchtbaarder was dan op de westelijk gelegen zand- en grindgronden.

De grove den werd in het Nederrijkswald in de eigenlijke bosbouw toegepast vanaf omstreeks 1740-1750. Dennenhout werd in de achttiende en negentiende eeuw steeds meer geproduceerd, eikenhakhout nam geleidelijk af. Dit grenenhout werd gebruikt voor de bouw en in toenemende mate voor de mijnbouw.

De fijnspar kwam ongeveer een halve eeuw na de grove den in zwang. Bij deze ontwikkelingen diende ongetwijfeld de Kleefse en in het algemeen de Duitse bosbouw als voorbeeld. Dennenzaad kwam uit Brandenburg, in Gelderland waren meerdere Duitsers als rentmeester of boswachter aangetrokken.

Het Kleefse bosbeheer was voor de waldforsters van het Nederrijkswald ook een lichtend voorbeeld voor hun arbeidsomstandigheden en beloning. Hun Kleefse collega’s verdienden In 1638 meer dan tweemaal zoveel voor hetzelfde werk.

Na de Brandenberg, waar we picknicken zien we aan de bosrand Frasselt liggen.
Verder op zien we mogelijk het mooiste stukje natuur, de zogenaamde Himmelsleiter – de trap naar de hemel. Het is een Naturschutsdenkmal, een beschermd natuurmonument.

Herbebossing
Van houtproductie naar natuurontwikkeling
Tot ver in de negentiende eeuw was, zowel in het Nederlandse als het Duitse deel van het oude Ketelwald vrijwel uitsluitend was gericht op de houtproductie. Alleen de Duitse adel en de notabelen mochten er jagen op grof wild. Daarnaast hebben het woud en de belendende heidevelden steeds gefunctioneerd als weidegronden, en voor het steken van heideplaggen voor de potstallen van de boeren. Het sprokkelen van dood hout was toegestaan aan de in- en aanwonende bevolking. Wat er in het Nederrijkswald en Reichswald aan verfraaiing werd gedaan kwam geheel voor rekening van de particuliere grootgrondbezitters.

Vooral in het Nederrijkswald gaf de Rekenkamer stukken grond uit in erfpacht, waarop de nieuwe eigenaren een boerderij, landhuis of zomerwoning lieten bouwen. Ze legden in de achttiende eeuw sterrenbossen aan aan en markeerden de wegen op hun bezittingen met lanen van beuk, linde en robinia.

Pas toen vrijwel alle rijksdomeinen in het Nederrijkswald omstreeks 1850 waren verkocht, kwam men tot de ontdekking dat de overheid geen greep meer had op de houtproductie, juist toen de behoefte steeds groter werd. In deze lacune werd voorzien door Staatsbosbeheer vanaf 1900 de rol van nationale houtvester te laten vervullen.

Dergelijke voorvallen kwamen niet voor in het Reichswald. Rationele bosbouw, uitgedrukt in kubieke meters hout per hectare en per jaar, en de al even rationele jacht, waren en bleven tot voor kort de enige gebruiksvormen. De belangen van de recreatie speelden vanaf de jaren ‘50 in de dagelijkse werkzaamheden een ondergeschikte rol.

Economische problemen met de grote dennenplantages, die na de bosverwoesting in en na de oorlog op grote schaal aangeplant waren, leidde in verband nieuwe bosbouwkundige kennis als snel na de grote herbebossingsgolf van rond 1950 tot een steeds groter wordende afkeer van pure naaldbosaanplanten.

Overlaten aan natuur
Kunnen we terug naar het Oerbos?
Als een stuk grond niet wordt bewerkt, ontstaat er na verloop van tijd vanzelf bos.
De huidige bossen zijn echter niet van nature ontstaan, maar aangelegd. Bepaalde boomsoorten zijn aangeplant met het doel ze later voor het hout te kunnen kappen. In een productiebos staan daarom nooit oude bomen.

In de Natuurboskernen Geldenberg en Rehsol wordt sinds 1971 niet meer gekapt en mogen de bomen wel oud worden. Eiken kunnen een leeftijd van wel 1000 jaar bereiken, beuken ongeveer 300 jaar. Wanneer ze tenslotte sterven en omvallen, ontstaan er natuurlijke lichtplekken. Daarin ontstaat plaats voor planten en dieren die niet onder een gesloten bladerdek kunnen leven. Het dode hout vormt een belangrijk leefgebied voor talloze soorten kevers en paddenstoelen.

In 2000 werd het ongeveer 600 ha grote habitatrichtlijngebied Geldenberg aangewezen, waarbij houtproductie weliswaar niet helemaal gestopt is, maar aan de wensen van de natuurbescherming aangepast wordt.

Vanuit botanisch perspectief zijn deze natuurlijke bossen zeer soortenarm. Alleen onder de lichte boomkronen van dennen of lorken of in gaten in de kronen van schaduw en halfschaduwbomen komen enkele soorten voor die niet echt tot de typische loofbossoorten behoren, maar eerder tot de bosrand en boskapflora behoren.
Zo wordt in de gebieden, waarin het bos grotendeels aan zichzelf overlaten wordt de eik,
vanwege zijn grote ecologische betekenis in de wat intensieve bosbouwkundige plekken door selectieve kap, bevoordeeld.

Houtkap vindt verder bijna alleen in het aanwezig naaldhout plaats, waardoor de verandering naar loofbos versneld wordt. Ook op de overige percelen van het Forstamt heeft in toenemende mate een ecologisch bosbeheer plaats. Met de certificereing van het forstamt met het FSC-label (Forest Stewartship Council) wordt de integratie van de natuurbeschermingsbelangen in het bosbeheer verbindend vastgelegd en regelmatig geëvalueerd. Daarnaast is de recreatie voor zover niet strijdig met de natuurwaarde in de laatste halve eeuw steeds meer een doel geworden.

Cultuur bos
Natuurlijk bos versus cultuurlijk bos. Dominantie van de beuk.
Over wat er ontstaat wanneer een bos zich zelf kan ontwikkelen, zijn de meningen verdeeld. Het staat vast dat, behoudens op de zeer natte plaatsen, de beuk gaat domineren en niet alleen de andere boomsoorten wegconcurreert, maar door lichtvang van de boomkronen en het ophopen van blad ook de ondergroei sterk remt. Grootschalige ‘verbeuking’ leidt tot monotone bossen.

Wat gebeurt er bij natuurlijk bosontwikkeling?

Het effect van windworp en vuur
Windworp kan tot flinke open plekken leiden, maar het laat zich aanzien dat het bos de plek al weer snel in bezit neemt en dat de beuk daarin snel weer een dominante rol inneemt. Bosbranden door blikseminslag zouden ook een grote rol kunnen spelen. In droge en boreale gebieden is die groot, maar in loofbossen in gematigde klimaten zoals de onze branden bomen niet snel. Sterker nog, vroeger werden juist loofhoutsingels rond naaldhoutpercelen aangeplant als brandwering. Bosbranden spelen in natuurlijke loofbossen nauwelijks een rol van betekenis.

Het effect van grote grazers. Een, vooral in Nederland veel toegepaste vorm van bosbeheer.

Er zijn ook bosdeskundigen die denken dat grote grazers een cruciale rol spelen en door hun vraat de bosverjonging tegenhouden, waardoor het bos op een bepaald moment van ouderdom instort. Op die open plaatsen zou dan een grazige vegetatie een tijdlang in stand blijven, totdat jonge eiken en hazelaars, in de bescherming van stekelige struiken de open plek weer laten dichtgroeien. Als het bos dan verder tot ontwikkeling komt, sterven de beschermende struiken door de afnemende lichtinval en wordt de natuurlijke verjonging door de grazers opnieuw tegengehouden. Zo ontstaat onder invloed van grazers een mozaïek van bossen en open plekken, een parkachtig landschap dat lijkt op het New Forest in Engeland.

De meeste onderzoekers gaan er echter van uit dat de grazers in ons klimaat de verjonging niet geheel kunnen tegenhouden en dat eventueel open plekken zo snel dichtgroeien dat de populatie van grote grazers in het zich sluitende bos wegens voedselgebrek snel zal instorten tot een laag niveau, waardoor hun effect op de omgeving verder afneemt. Alleen water (rivieren, opgestuwd water) en veen kunnen bosgroei belemmeren. Het is met de huidige stand van de wetenschap nog niet duidelijk in welke richting natuurlijke bosontwikkeling op lange termijn zal leiden. Zelfs niet of de verbeuking, die bijna overal optreedt bij niets doen, niet slechts een tussenstadium is. Er zijn in West-Europa geen oerbossen meer aanwezig waaraan we het ‘eindstadium’ kunnen aflezen.

Andere loofbostypen
Variatie door de aanwezigheid van de stuwwal en de daarbij behorende bodemsoorten (zand en löss-leem) en verschillen in waterhuishouding heeft diverse bostypen tot ontwikkeling laten komen: Eiken-Berkenbos op schrale droge grond bovenop de stuwwal, Beukenbossen op wat rijkere gronden, Eiken-Haagbeukenbos op vochtige, lössrijke plaatsen, Elzenbron- en broekbossen op zeer natte plaatsen. De verwachting is dat op den duur zo'n 95% van de bossen op de stuwwal uit beuken zullen bestaan. Alleen daar waar een hoge waterstand heerst, dus op de plaatsen van de Elzenbron- en broekbossen en misschien op het onderste randje van het Eiken-Haagbeukenbos kunnen geen beuken groeien.

Plaats voor bestaande loofbostypen
De vraag is natuurlijk of de andere loofbostypen, die zich in de potentiële beukenzone liggen, gehandhaafd moeten worden, of dat we ze verloren laten gaan. Dat geldt met name voor de Eiken-Berkenbossen, de Eiken-Beukenbossen en de Eiken-Haagbeukenbossen. Dit zijn bostypen, die of in een bepaald successiestadium zitten (Eiken-Berken en Eiken-Beukenbos) of door de mens in stand worden gehouden door selectief de beuken eruit te kappen (Eiken-Beukenbos, Eiken-Haagbeukenbos). Gezien de relatief grote tot zeer grote biodiversiteit van deze bostypen lijkt het niet zinvol deze bostypen allemaal op te offeren aan het beukenbos.

Plaats voor naaldbossen
Het is wenselijk om een groot deel van het naaldbos te vervangen door loofbos. Dat kan door natuurlijke verjonging, maar ook versneld door selectieve kap van naaldbomen. Naaldbossen maken nog steeds veruit het overgrote deel uit van de bostypen in het Ketelwald. Dat betekent overigens niet dat alle naaldbomen zouden moeten verdwijnen. Ook zij hebben een cultuurhistorische betekenis.

Grove Dennenbossen met een ondergroei, waarbij Blauwe bosbes domineert en die in de jaren ’30 van de vorige eeuw algemeen waren, zijn door successie nagenoeg verdwenen. Zij vormen een successiestadium na heide. In een gebied waar heide en successiestadia daarvan een kans zouden moeten krijgen, passen dergelijke bosbesbossen.

Oerbos?
We zien dat het grote Oerbos door menselijk ingrijpen geheel is verdwenen. Er wordt wel gezocht naar een herstel, maar men verschilt vooral van mening over wat men moet beschouwen als “oorspronkelijk oerbos” en wat de huidige toeristische mens ‘mooi’ vindt. Mooie uitzichtpunten met paarse heide passen niet in het beeld van de oorspronkelijke situatie. Dat is een tussenstand na de ontbossing tijdens de Middeleeuwen.

Vooral beuk, met zomer- en wintereik en els en wilg in de nattere delen lijken de toestand van voor de Romeinen te bepalen, maar voor wat betreft de dichte ondergroei, is het niet duidelijk wat daar was en hoe dat hersteld moet worden.

Laat men een huidig bos aan zijn lot over, dan ontstaat een beukenbos met – door een verstikkend beukenblad - een kale onderbegroeiing. Remt men de beuk ten faveure van de eik, dan wordt het iets beter, maar ook eikenblad verteert traag. Door de aanplant van productiebossen met dennen en lariks zijn de zaden van de dennenappels zo uitgezaaid dat ze niet meer uit deze bodem zijn uit te roeien, waardoor van een permanente ‘plaag’ van de den is ontstaan.

Het Oerbos zal nooit meer terugkeren……….

Na het Heidenkerkhof keren we terug naar de parkeerplaats. De jachtbeperking is opgeheven. We denken er nog even over om naar de Brandtoren te lopen, maar we vinden het mooi voor vandaag.

Startpunt
START Parkeerplaats B504 N51 44.888 E6 02.030

POI’s

  • 4stammige eik N51 44.735 E6 03.506
  • Brandenberg N51 46.060 E6 00.455
  • BRANDTOREN N51 44.923 E6 03.589
  • Freudenberg N51 45.437 E5 58.964
  • GRAFHEUVEL N51 44.941 E6 00.766
  • Heidenkerkhof N51 45.244 E6 01.492
  • Himmelsleiter N51 45.358 E6 01.089

Geraadpleegde websites:
Toekomstvisie Ketelwald
http://www.ketelwald.de/nl/index.html
http://www.ketelwald.de/Download-Dateien/Toekomstvisie_Ketelwald-A4kl.pdf


 
 

Helaas zijn er nog geen reacties beschikbaar. We willen u van harte uitnodigen om een reactie te plaatsen. Klik op de blauwe knop "Toevoegen" om een nieuwe reactie te plaatsen.